|
ACCIDENTIES:
Foute noten
CHANSONS DE GESTE:
Vieze liedjes
TUTTI:
Gedroogd fruit
SINE PROPRIETATE:
Vrijen in een kerk
RITORNELLO:
Een opera van Verdi.
NEUMEN:
Renaissance muggen
NEUMATISCHE MELISMEN:
Een luchtwegaandoening
LONGA:
De duur van een repetitie
RECITATIEF:
Een ziekte die Monteverdi had.
TEMPUS PERFECTUM:
Als je een gezellige tijd hebt gehad
ORLANDO DI LASSO:
Populaire italiaanse cowboycomponist
TEMPUS IMPERFECTUM:
Je vriendin moest vroeger weg van de repetitie
AGNUS DEI:
Een beroemde vrouwelijke componist van kerkmuziek.
METRONOOM:
Een in ondergrondse tunnels levende grotestads-dwerg.
CADENS:
Als iedereen hoopt dat het is afgelopen, maar het gaat door.
CADENZA:
De vrouwelijke hoofdrol in Monteverdi's opera "Frot tola".
CANTUS FIRMUS:
De partij die je mag spelen als je maar vier noten kent.
ALLA BREVE:
Als je twee keer zo snel speelt als alle andere in het ensemble.
INTONATIE:
Door je neus zingen, was vooral populair in de middeleeuwen.
ISORITMISCH MOTET:
Als de ene helft van het ensemble een ander kopietje
heeft gekregen dan de andere.
MUSICA FICTA:
Als je niet meer weet waar je bent en je rommelt
wat aan totdat je het vindt.
ORGANISTRUM:
Een beroepsziekte van middeleeuwse percussionisten,
veroorzaakt door vaak met de vingers tussen de klepper te komen.
DRAAILIER:
Een hulpmiddel voor middeleeuwse percussionisten met organistrum.
TRANSPOSITIE:
Een moeilijke techniek op blokfluit, waarbij je overschakelt
van altvingerzetting op sopraanvingerzetting, midden in een stuk.
ORKESTSUITES:
Naam voor de vrouwen die in de baroktijd bij orkestmusici
rondhangen.
muziektermen deel 2
muziektermen deel 3
muziektermen deel 4
muziek humor |